Vorig weekend was het weer zover. Zoals elk jaar verzamelde hier een bonte mengeling van schepen: kleine sloepjes, klassieke zeilschepen, replica’s van oude zeilschepen, kathedralen van de zee, zelfs de ‘Hydrograaf’ beter bekend als de boot van Sinterklaas kwam binnenvaren, en last but not least El Galeón een replica van een 17de-eeuws Spaans galjoen. Er was een blij weerzien met vrienden, uit het oog maar nooit uit het hart. Ooit waren we ook zeilers, het is een passie, een microbe die je nooit kwijtraakt. Het kon dan ook niet anders: het zeilbootje werd een rode draad doorheen het verhaal ‘Eén perfecte dag’. Ben je benieuwd? Lees hieronder alvast een deel van het eerste hoofdstukje: Overboord.

Eén perfecte dag: te koop in elke boekhandel, ook beschikbaar als ebook. Ook via https://lnkd.in/ejGiGUk4
2014 OVERBOORD
Het was een fraaie zonnige dag met weinig wind. Op het Veerse Meer dobberde de Steady Tommy met lichtjes flapperende zeilen over het zacht rimpelende water in de richting van het stadje Veere. Het was niet echt een dag voor zeilratten zoals Tom, maar voor mij een zomerdag die even alle ellende in het leven deed vergeten. Tot een bulderende wind en een stormgolf mij bruusk over boord sloegen. Het was niet de eerste storm, deze niets ontziende orkaan lag al lang op de loer, en opeens besefte ik dat ik niet meer terug in de boot wou, ik wilde wegzakken in de eindeloze diepte, en me genadig overgeven aan het niets. Ik spartelde tegen en verzette me hevig toen een stevige hand mij onverbiddelijk weer aan boord hees. Mijn dromen en verlangens bleven achter op de bodem van het Veerse Meer, als restanten van een schipbreuk.
Na dertig jaar in het huwelijksbootje dacht ik dat het leven je zou moeten toelachen. Je zou denken dat je in rustiger vaarwater terechtkomt als er geen beslommeringen meer zijn met werk of kinderen. Maar als de liefde barstjes krijgt, kruipt onzekerheid onder je huid. Nooit uitgesproken gedachten en eeuwige innerlijke monologen houden je nachtenlang wakker. Het huis in Antwerpen hadden we een jaar of tien geleden ingeruild voor een appartement in Oostende met uitzicht op de Noordzee. Ik had er toen geen zin in, ik hou van mijn geboortestad, die bruisende stad aan de stroom waar in elke straat, in iedere steeg, op elk plein een herinnering schuilt. Waar je dwalend langs de Blauwe Steen, de typische geur van het Scheldewater opsnuift, waar de wind de deuntjes neuriet die mijn grootmoeder zong, en haar stem vervloeit in de stadsgeluiden. Oostende schrikte me af. Ik had er geen vrienden. Ik zou er weer niet bij horen. Het spook dat altijd door mijn leven waart, doemde weer op.
Het was op die fraaie zomerdag dat ik met Tom op een bomvolle trein van Oostende naar Antwerpen zat. Bij het hoge zingende geluid van de rails, gleden de groene weiden van het Brugse ommeland voorbij. Het hart van de polders, door de mens gecreëerd, door de natuur geboetseerd. Ik zag de polderweiden waar eenden en steltlopers een rustplaats zochten, badend in het ochtendlicht. Mijn vredige gedachtewereld werd plots ruw verstoord toen….