Terugblik 5 Juli 2016
Op 5 juli zal ik een rugoperatie ondergaan die mij weer in staat moet stellen om normaal te lopen… of helemaal niet meer. Maar ik heb vertrouwen in de ervaren chirurg en mijn eigen wilskracht.
Ik vertel hem dat ik in blijde verwachting ben van mijn eerste kleinkind en dat ik op hem reken om tegen einde augustus weer op de been te zijn voor de grote gebeurtenis. Hij glimlacht maar ik meen toch een zweem van twijfel te zien in zijn vriendelijke ogen.
Op 4 juli krijg ik ’s avonds telefoon van Olivier. Hij vertelt me dat Jill in allerijl naar het ziekenhuis werd gebracht nadat zij tijdens de yogales een bloeding kreeg. Zij is dan 32 weken zwanger. Ik verzeker hem dat ze in het ziekenhuis in goede handen is en dat het vast goed komt.
“Denk je mama?” vraagt hij. Als mama zegt dat het goed komt dan komt het goed. De rest van de avond zwijgt de telefoon. Ik veronderstel dat alles onder controle is en ga op tijd naar bed. Wanneer ik de volgende morgen opsta, heb ik enkele gemiste oproepen en een tekstbericht.
Leon werd geboren om 12.15u… Leon mijn petekindje.
Een krop in mijn keel, tranen in mijn ogen, een mengeling van gevoelens en angstige vragen overvallen mij. Twee maanden te vroeg… Is dit echt? Ben ik wakker of droom ik? Terwijl ik nog ongelovig naar het bericht staar, belt de telefoon alweer. Mama stelt het goed.
Onze kleine jongen moest gereanimeerd worden want zijn longetjes klapten niet open. Maar zelfs amper 32 weken oud blijkt meteen dat hij een vechter is, een dapper strijdertje. Hij weegt net geen 2 kilo, heeft nog geen zuigreflex en moet dus kunstmatig gevoed worden. Alle orgaantjes zijn nog niet volgroeid.
Ondertussen is het ook voor mij tijd om naar het ziekenhuis te vertrekken. ’s Avonds, nog groggy van de verdoving, krijg ik de eerste foto’s te zien van mijn kleinzoon. Een miniminimensje dat net geen 2 kilo weegt en in leven gehouden wordt met allerlei buisjes en slangen. Ik voel meteen een verbondenheid want ook ik lig aan een infuus met een baxter, een morfinepomp en een drain. Ik doe die nacht geen oog dicht.
De volgende weken brengen Olivier en Jill hun dagen door op de afdeling neonatologie. Hier krijgen ze de gelegenheid om te kangoeroeën. De baby ligt hierbij op de blote borst van mama of papa met enkel een luier en een mutjes aan. Deze methode zorgt voor een gevoel van veiligheid en vertrouwen tussen tussen de ouders en het kind. Het wederzijds contact wordt gevoed door de warme aanraking, geur en het stemgeluid. Dat kan onder alle omstandigheden zelfs als de baby beademd wordt en sondevoeding krijgt. Ook krijgen ze daar de gelegenheid om de baby zelf te verzorgen. Zoals dat in moderne gezinnen gaat, nemen zowel mama als papa hun beurtrol op. Half augustus mogen ze eindelijk met zijn drietjes naar huis!
En ik mag nog steeds niet naar Antwerpen, ik zit nog altijd opgesloten in een harnas, ik moet wachten tot de scan van mijn rug de chirurg gerust stelt dat alles weer goed aan elkaar groeit. Ik voel me machteloos, nutteloos… Maar ik wordt dagelijks op de hoogte gehouden met foto’s, berichtjes en telefoontjes die mij geruststellen dat Leon een dapper venteke is en met reuzenstappen vooruit gaat.
Eind augustus is het zo ver. Wanneer de chirurg zegt dat ik de reis van Oostende naar Antwerpen mag maken, ben ik zo blij dat ik wil recht springen om hem te kussen. Hij is zelf ook duidelijk opgelucht.
Eindelijk, eindelijk! Als ik binnenkom staat de trotse mama mij al op te wachten en mag ik na zoveel lange weken wachten dat kleine wonder in mijn armen sluiten. Het is alsof mijn eigen kind weer in mijn armen gelegd wordt en ik ben meteen verliefd. De reis heeft mij wel vermoeid. Ik leg mij in de zetel en kleine Leon slaapt de rest van de namiddag rustig op mijn borst.
Ja, Leon en ik wij kangoeroeën ook. De band is er al.
On 5 July I will undergo back surgery that should allow me to walk normally again… or not at all. But I trust the experienced surgeon and my own willpower.
I tell him that I am joyfully expecting my first grandchild and that I am counting on him to have me back on my feet by the end of August for the big event.
He smiles, but I think I detect a trace of doubt in his kind eyes.
On the evening of 4 July, I receive a phone call from Olivier. He tells me that Jill was rushed to hospital after suffering a hemorrhage during her yoga class. She is 32 weeks pregnant. I assure him that she is in good hands at the hospital and that everything will surely be fine.
“Do you think so, Mum?” he asks.
When Mum says it will be fine, it will be fine. The phone remains silent for the rest of the evening. I assume everything is under control and go to bed early.
When I get up the next morning, I see several missed calls and a text message.
Leon was born at 12:15 p.m… Leon, my godchild.
A lump rises in my throat, tears fill my eyes, and a rush of emotions and anxious questions overwhelms me. Two months too early…
Is this real? Am I awake or dreaming?
As I continue to stare at the message in disbelief, the phone rings again. Mum is doing well.
Our little boy had to be resuscitated because his lungs did not open properly. But even at just under 32 weeks, it is immediately clear that he is a fighter, a brave little warrior. He weighs just under two kilos, has no sucking reflex yet and therefore needs to be fed artificially. Not all of his tiny organs are fully developed.
Meanwhile, it is also time for me to leave for the hospital.
That evening, still groggy from the anesthesia, I am shown the first photos of my grandson. A tiny little human being, weighing just under two kilos, kept alive by all kinds of tubes and wires.
I immediately feel a sense of connection, because I too am lying there with an IV drip, a morphine pump and a drain. I do not sleep a wink that night.
In the weeks that follow, Olivier and Jill spend their days in the neonatal unit. There, they are given the opportunity to practise kangaroo care. The baby lies on the bare chest of mum or dad, wearing only a diaper and a little hat. This method creates a sense of safety and trust between parents and child. The mutual bond is nourished through warm touch, scent and the sound of voices. This is possible under all circumstances, even when the baby is being ventilated and fed through a tube. They are also given the chance to care for the baby themselves.
As is common in modern families, both mum and dad take turns. By mid-August, they are finally allowed to go home together as a family of three!
And I am still not allowed to go to Antwerp. I am still trapped in a brace, waiting for the scan of my back to reassure the surgeon that everything is healing properly.
I feel powerless, useless…
But every day I am kept informed with photos, messages and phone calls that reassure me that Leon is a brave little fellow and is making giant strides forward.
By the end of August, the moment finally arrives.
When the surgeon tells me that I am allowed to make the journey from Ostend to Antwerp, I am so happy I feel like jumping up and kissing him. He himself is clearly relieved as well.
At last, at last the time has come. When I walk in, the proud mother is already waiting for me, and after so many long weeks of waiting, I am finally allowed to hold that little miracle in my arms. It feels as though my own child has been placed in my arms again, and I fall in love instantly.
The journey has tired me out. I lie down on the sofa, and little Leon sleeps peacefully on my chest for the rest of the afternoon.
Yes, Leon and I are kangarooing too. The bond is already there.
12 oktober 2025 – Denkdag in De Letterie
Gisteren volgde ik een workshop in de Letterie, het Oostendse letterenhuis waar literatuur gecreëerd wordt: een denkdag over migraine.
Niet dat ik migraine heb, maar ik heb een ander hoofdprobleem. Nochtans leek de denkdag me toch interessant, omdat ook ik dagelijks met een storende sensatie in mijn hoofd leef.
Een probleem dat nooit verdwijnt, dat alleen maar schommelt met ups en downs, naargelang de omstandigheden: oorsuizen en doofheid aan mijn rechteroor.
Het weerhoudt me ervan deel te nemen aan dergelijke activiteiten. Bovendien mijd ik rumoerige plaatsen of evenementen: hoe meer lawaai, hoe heftiger mijn probleem zich manifesteert. Ik zoek dan ook altijd rust en stilte op. Gelukkig vind ik die hier aan zee. De maanden van het najaar en de winter, wanneer het rumoer op strand en dijk uitsterft, zijn dan ook uiterst welkom.
De stad ga ik enkel in als het niet anders kan. Zelfs op café gaan met vrienden kan een beproeving zijn. Ik begin me stilaan een zonderling te voelen. “Schaf je een hoorapparaat aan,” hoor ik jullie denken — en daar ben ik dus bang voor: als het geluid versterkt wordt, neemt het oorsuizen evenredig toe.
Maar goed, ik besloot dus deel te nemen aan deze denkdag over migraine, gezien — of ondanks — mijn ‘hoofdprobleem’.
Misschien een ongewone vergelijking, misschien zelfs absurd, maar als onderdeel van ‘Ons ambigue lijf’ vond ik het wel passen.
En ik deed een merkwaardige vaststelling: er kwam een ongekende rust over me. Al begreep ik niet de helft van wat er gezegd werd, de sfeer was sereen. In de mate van het mogelijke probeerde ik toch mee te werken.
Toen ik vanochtend wakker werd, overviel me de stilte. Mijn oorsuizen leek getemperd. Ik dacht terug aan de workshop, en kon me niet herinneren dat ik er last van had gehad.
Natuurlijk weet ik dat veel mensen tegenwoordig aan tinnitus lijden. Maar ik weiger het bijennest in mijn hoofd onder die noemer te plaatsen. Het is geen fluiten, geen piepen — eerder een eeuwig zoemen, het aflaten van stoom of gas in een fabriek. Sporadisch komen er andere geluiden doorheen, die vrijwel meteen ophouden, alsof iemand ingrijpt en een kraan toedraait, zodat het eentonige, zeurderige suizen terugkeert.
Het is dus niet alleen de stilte die soelaas brengt, maar ook het begrip van gelijkgestemde mensen dat verlichting geeft.
Ik heb dan ook besloten hier een studie aan te wijden en mijn bevindingen te delen.
English version
Yesterday, I attended a workshop at de Letterie, the literary house in Ostend where literature is created — a day of reflection on migraine.
Not that I suffer from migraine, but I do have another kind of head problem. Still, the event seemed interesting, since I too live daily with a disturbing sensation in my head — a condition that never goes away, only fluctuates with ups and downs depending on the circumstances: tinnitus and deafness in my right ear.
It usually keeps me from taking part in such activities. I also avoid noisy places or events — the more sound, the stronger my symptoms become. So I constantly seek out peace and quiet. Luckily, I find that here by the sea. The autumn and winter months, when the noise of the beach and promenade fades away, are therefore most welcome.
I only go into the city when I really have to. Even going for a drink with friends can be a trial. I’m beginning to feel like a bit of a recluse. “Get yourself a hearing aid,” I can hear you thinking — but that’s exactly what I’m afraid of: as the sound gets amplified, the tinnitus grows louder too.
Anyway, I decided to take part in this day of reflection on migraine, given — or perhaps despite — my own “head problem.”
An odd comparison, perhaps even an absurd one, but as part of Our Ambiguous Body, it seemed fitting enough.
And I made a remarkable observation: a sense of calm came over me. Even though I didn’t understand half of what was said, the atmosphere was serene. I did my best to participate, as much as possible.
When I woke up this morning, I was struck by the silence. My tinnitus seemed subdued. I thought back to the workshop and realized I hadn’t noticed it at all while I was there.
Of course, I know that many people these days suffer from tinnitus. But I refuse to label the beehive in my head that way. It isn’t a whistling or a ringing — it’s more like an endless humming, the release of steam or gas in a factory. Occasionally, other sounds break through, only to stop almost immediately, as if someone intervenes and turns off a valve, allowing the monotonous, nagging hissing to return.
So it’s not just silence that brings relief, but also the understanding of like-minded people that offers comfort.
I’ve therefore decided to dedicate a study to this — and to share my findings.
19 juni 2025 Remains of the day
scroll for English
Ondanks de dreigende wolken was het een warme dag, broeierig warm zelfs. De hele namiddag hadden de jongens aan hun zandkasteel gewerkt. Het zou het grootste fort ooit worden, omringd door een wirwar van kanaaltjes en muurtjes die het moesten beschermen tegen het opkomende tij. Ze hadden de piratenvlag gehesen om ongewenste bezoekers op afstand te houden. Andere kinderen keken jaloers toe, en strandbezoekers liepen er eerbiedig, met bewonderende blikken, in een grote boog omheen. Eén stoutmoedige zeemeermin wilde gefotografeerd worden bij de piratenvlag. Dat werd de jeugdige schoonheid graag gegund door de trotse gravers.
De zee was rustig, heel rustig. Toch sloop ze langzaam maar zeker dichterbij. Toen de zon in de late namiddag even door de wolken brak, besloten de jongens een duik te nemen in het koele water. Uitgelaten stoeiden ze in de golven, die stilaan oprukten naar het strand en hun piratenfort. Ondertussen vormden zich kleine geultjes die aan de muurtjes van hun bouwwerk knabbelden. Opgewonden kwamen de jongens teruggerend. Ook de donkere wolken naderden snel. Plots vielen er dikke druppels uit de lucht; strandgangers pakten haastig hun spullen en dropen af. Maar de jongens gaven niet op. Samen schuilden we onder onze grote strandhanddoek. Gefascineerd keken we toe hoe de zee langzaam maar zeker het strand weer in bezit nam. Toen brak de zon opnieuw door de wolken, en de jongens dansten opgewonden rond hun steeds verder afbrokkelende bouwwerk, tot het laatste zandmuurtje verslonden was en elk putje weer door de zee was ingenomen. We namen onze spullen en vertrokken. We keken nog één keer om: het grootste zandkasteel ooit was door de zee veroverd.
Alleen de zee bleef achter, stil, alsof er nooit iets geweest was. Het kasteel was verdwenen, maar de dag zou blijven.
🇬🇧
Despite the threatening clouds, it was a warm day, swelteringly warm, even. The boys had worked on their sandcastle all afternoon. It was to be the biggest fort ever, surrounded by a maze of tiny channels and walls meant to protect it from the rising tide. They had hoisted the pirate flag to keep unwanted visitors away. Other children looked on with envy, and beachgoers walked around it in a wide arc, casting admiring glances. One bold mermaid asked to be photographed next to the pirate flag. The proud builders were happy to oblige the youthful beauty. The sea was calm, very calm. And yet, slowly but surely, it crept closer. When the sun broke through the clouds briefly in the late afternoon, the boys decided to take a dip in the cool water. Gleefully, they splashed around in the waves, which were steadily advancing toward the beach, and their pirate fort. Meanwhile, little rivulets had begun nibbling away at the walls of their creation. The boys came running back, excited. The dark clouds were closing in too. Suddenly, fat drops began to fall from the sky; beachgoers hurriedly packed up and left. But the boys didn’t give up. We huddled together under our large beach towel. They watched in fascination as the sea slowly but surely reclaimed the shore. Then the sun broke through again, and the boys danced excitedly around their ever-crumbling structure, until the last wall of sand was swallowed, and every little trench was claimed once more by the sea. We gathered our things and left. We looked back one last time: the biggest sandcastle ever had been conquered by the sea. Only the sea remained, quiet, as if nothing had ever been there. The castle was gone, but the day would remain.
Oostende 27 juni 2025 – scroll for English
Een overweldigend uitzicht
Wie goed kijkt, ziet hoe de horizon zachtjes welft. Vanaf de achtste verdieping, uitkijkend over zee, tekent zich de kromming van de aarde af. De horizon vormt een volmaakte halve cirkel, een strakke boog van 180 graden. Een kooi van blauw en licht waarin ik gevangen lijk. Het uitzicht is groots, overweldigend zelfs, en toch wringt het: die perfecte lijn snijdt als een grens door mijn verlangen. Ze herinnert me eraan dat ik vastzit, gekluisterd aan deze draaiende bol, een gevangene van zwaartekracht en materie. Maar daarboven, hoog boven het verstikkende oppervlak, zweven de wolken, onaangedaan, los van alles wat bindt. Ze drijven als gedachten zonder lichaam, vrij van richting, vrij van doel. O, was ik maar een wolk: vluchtig, gewichtloos, vervagend aan de rand van de wereld, verdwijnend in het oneindige waar geen begin of einde telt. Ik wil vliegen tot aan het einde van de wereld, tot ik val in het oneindige universum, een plaats waar niets nog iets betekent, waar duisternis verlicht wordt door een eeuwigheid aan onuitgesproken woorden.
Zo zal ik schrijven:
over wat ik voel,
wat ik denk, wat ik zie,
niet over wat ik weet dat bestaat.
An overwhelming view
Those who look closely will see the horizon gently curve. From the eighth floor, gazing out over the sea, the Earth’s curvature reveals itself. The horizon forms a perfect half-circle, a taut arc of 180 degrees, like a cage of blue and light in which I seem imprisoned. The view is vast, even overwhelming, and yet it unsettles me: that flawless line cuts through my longing like a border. It reminds me that I am bound, shackled to this spinning sphere, a prisoner of gravity and matter. But above, far above this suffocating surface, the clouds drift, untouched, unbound by anything. They float like thoughts without bodies, free of direction, free of purpose. Oh, if only I were a cloud: fleeting, weightless, dissolving at the edge of the world, vanishing into the infinite, where no beginning and no end remain. I want to fly to the end of the world, until I fall into the infinite universe, a place where nothing matters anymore, where darkness is illuminated by an eternity of unspoken words.
This is how I will write:
about what I feel, what I think, what I see, not about what I know exists.
Antwerpen – 15 mei 2025
Uit mijn dromendagboek.
Een paar dagen in Antwerpen doorgebracht, bij de kinderen. Hun huis draagt nog die stille waardigheid van vroeger; hoge plafonds, krakende vloeren, een ziel die je in nieuwe huizen nog zelden aantreft. In het kleine stadstuintje lijkt de tijd zichzelf te vergeten. Daar zat ik, met een boek van Hermann Hesse dat ik in de indrukwekkende boekenkast vond: De Steppewolf.
Al lezend over Harry Haller, kwam het inzicht als vanzelf: dit ben ik. Een eenling, ergens tussen mens en dier, zwervend in een wereld waarin ik me steeds minder thuis voel. Niet verloren, maar wel verdwaald, op een plek die ooit vertrouwd was, maar waar ik nu als buitenstaander doorheen loop.
Verklaart dat mijn steeds terugkomende dromen over alweer een ander huis?
Terug in Oostende, thuis?, droomde ik opnieuw. Een droom zoals ik ze zo vaak heb: alweer een ander huis, met lege kamers. De badkamer en keuken waren nieuw, nog ongebruikt, maar bevuild, alsof het nieuwe nooit echt schoon kon zijn. Ik wilde opruimen, maar zoals altijd in die dromen lukte het niet. Er was te veel vuil, te veel puin.
Toen verscheen hij: de man met wie ik ooit dat ene gesprek had. De enige die me echt leek te horen, die me au sérieux nam, zonder dat ik erom vroeg. Open, eerlijk. Hij luisterde niet alleen, hij deelde ook zijn eigen verhaal. Het was kort nadat mijn eerste boek gepubliceerd was (Joske & Marie 2012), en hij vertelde me hoe zijn vrouw tot diep in de nacht had doorgelezen. Niet omdat het spannend was, maar omdat het resoneerde, een verhaal over liefde, familie, en de sporen die oorlog en tijd in mensen achterlaten. Die middag, zo lang geleden, is me altijd bijgebleven.
In mijn droom zag ik hem opnieuw. Hij is intussen overleden, maar in de droom voelde zijn aanwezigheid weer even echt.
Waarom kwam hij terug, nu? Omdat hij de enige was die me ooit écht zag? Omdat ik me bij hem gehoord voelde, als mens, als denker? Misschien was hij de enige met wie ik ooit filosofeerde over het leven?
Soms lijkt mijn leven op dat droomhuis: onbewoond, ongeordend, vervuild. Misschien is het tijd om te beginnen met opruimen; in mijn huis, in mijn hoofd, in mijn hart. Misschien betekent thuiskomen simpelweg: jezelf terugvinden.
Jarenlang schreef ik over wat mijn slaap me toefluisterde. Misschien is dit de laatste bladzijde van mijn ‘vreemde-dromen-dagboek’ de herinnering aan een man die me een spiegel voorhield, zacht en zonder oordeel. Die mij, heel even, liet thuiskomen bij mezelf.
Antwerp, may 15th 2025
From my dream diary
I spent a few days in Antwerp, with the children. Their house still holds that quiet dignity of the past; high ceilings, creaking floors, a soul you rarely find in new houses. In the small city garden, time seems to forget itself. There I sat, with a book by Hermann Hesse that I found on their bookshelf: Steppenwolf.
As I read about Harry Haller, the insight came naturally: this is me. A loner, somewhere between human and beast, wandering through a world in which I feel less and less at home. Not lost, but adrift, in a place that was once familiar, but now feels like I walk through it as an outsider.
Is that what explains my recurring dreams about yet another house? Back in Ostend, home?, I dreamed again. A dream like so many I’ve had: yet another house, with empty rooms. The bathroom and kitchen were new, unused even, but dirty, as if the new could never truly be clean. I wanted to tidy up, but as always in those dreams, I couldn’t. There was too much dirt, too much debris.
Then he appeared: the man with whom I once had that one conversation. The only one who really seemed to hear me, who took me seriously, without me having to ask for it. Open, honest. He didn’t just listen; he shared his own story as well. It was shortly after my first book was published (Joske & Marie, 2012), and he told me how his wife had read it late into the night. Not because it was suspenseful, but because it resonated, a story about love, family, and the traces that war and time leave in people. That afternoon, so long ago, has always stayed with me.
In my dream, I saw him again. He has since passed away, but in the dream his presence felt real once more. Why did he return, now? Because he was the only one who ever truly saw me? Because with him, I felt heard, as a person, as a thinker? Perhaps he was the only one with whom I ever truly philosophized about life?
Sometimes my life feels like that dream house: uninhabited, disordered, unclean. Maybe it’s time to start cleaning my house, my mind, my heart. Maybe coming home simply means: finding yourself again.
For years I wrote about what my sleep whispered to me. Maybe this is the final page of my ‘strange-dreams-diary’—the memory of a man who held up a mirror to me, gently and without judgment. Who, for a brief moment, allowed me to come home to myself.
Shenandoah- National park – Virginia
Rileyville, 16 april 2022
Terwijl we die middag dieper in het hart van het bos afdwaalden, wikkelde vermoeidheid zich als een zware mantel om me heen. Mijn metgezellen gingen door, ik bleef alleen achter in een woud dat door de tijd onaangetast was. Hier, in deze desolate wildernis, omhulde de stilte me als een dikke mist, een stilte zo diepgaand dat ze tastbaar was, een scherp contrast met de drukke wereld. Toch vond ik in die griezelige omhelzing een vreemde troost.
Welke geheimen lagen verborgen in de schaduwen van de torenhoge bomen? Welke onzichtbare ogen keken vanuit de dichte struiken en achter de scherpe rotsen? De kale takken fluisterden oude verhalen, hun kromme vingers krabbelend aan het canvas van de lucht. Boven cirkelden de gieren met een doel, hun schaduwen glijdend over de grond, wat zochten zij? En terwijl ik in de eindeloze uitgestrektheid van het bos keek, dansten visioenen voor mijn geestesoog, me uitnodigend om hun mysteries te onthullen.
De beer en haar drie jongen, een symbool van bescherming en zorgzaamheid, bleven in mijn gedachten hangen, een herinnering aan de kwetsbare balans van de natuur. En dan was er het hert, met zijn nieuwsgierige blik, me uitnodigend om na te denken over wat er onder onze fragiele coëxistentie lag. Waarom had ik ervoor gekozen om net voor de top te stoppen? Was het vermoeidheid of angst? Of misschien iets dieper, een erkenning van mijn eigen beperkingen?
In dit moment van stilte, terwijl ik aandachtig luisterde naar de hartslag van het bos, voelde ik een onverklaarbare verbinding met alles om me heen. De stilte was niet slechts een afwezigheid van geluid, maar een uitnodiging om de diepten van mijn verbeelding te verkennen, waar de weg naar morgen wachtte, kronkelend door de schaduwen en het licht van het onbekende. Welke avonturen wachtten er net achter de sluier, als ik maar durfde ze te onthullen?
Rileyville april 16th 2022
As we wandered deeper into the heart of the forest that afternoon, fatigue wrapped around me like a heavy cloak, urging me to pause. My companions pressed on, fading into the distance, leaving me alone in a realm untouched by time. Here, in this desolate stretch of wilderness, silence enveloped me like a thick fog, a silence so profound it felt almost alive. It was a stark contrast to the bustling world outside, and yet, in its eerie embrace, I found a strange comfort.
What secrets lay hidden in the shadows of the towering trees? What unseen eyes were watching from the thickets and behind the jagged rocks? The bare branches whispered ancient tales, their gnarled fingers scratching at the canvas of the sky. Above, the vultures circled with a purpose, their shadows gliding over the ground, what were they seeking? And as I gazed into the endless expanse of the forest, visions danced before my mind’s eye, beckoning me to uncover their mysteries.
The bear and her three cubs, a symbol of protection and nurturing, lingered in my thoughts, a reminder of the wild’s delicate balance. And then there was the deer, its curious gaze, inviting me to ponder what lay beneath our fragile coexistence. Why had I chosen to stop short of the summit? Was it fear, or perhaps something deeper, a recognition of my own limitations?
In this moment of stillness, as I listened intently to the heartbeat of the forest, I felt an unexplainable connection to all that surrounded me. The silence was not merely an absence of sound but an invitation to explore the depths of my imagination, where the road to tomorrow awaited, winding through the shadows and light of the unknown. What adventures awaited just beyond the veil, if only I dared to uncover them?

